Ingrid is 56 en werkt al sinds haar achttiende. Ze begon in de zorg, stapte later over naar de administratie en combineert haar baan nu met mantelzorg voor haar moeder. “Ik ben nooit gestopt met werken, ook niet toen het pittig was,” zegt ze. Ziekte, reorganisaties, bezuinigingen—ze heeft het allemaal voorbij zien komen. Wat haar de laatste jaren het meest dwarszit, is niet het werk zelf, maar het idee dat inzet steeds minder oplevert. “Ik sta elke ochtend vroeg op en aan het eind van de maand blijft er voor mij amper iets over.”
De scheve balans
Voor Ingrid zit de pijn vooral in het vergelijken. Ze ziet mensen om zich heen die niet werken en toch financieel rondkomen. “Ik zeg niet dat iedereen met een uitkering lui is,” voegt ze er meteen aan toe. “Maar het systeem voelt oneerlijk.” Als ze extra uren draait, schiet ze er netto nauwelijks iets mee op. Tegelijkertijd hoort ze verhalen van mensen die bewust geen baan aannemen omdat ze anders toeslagen verliezen. “Dan denk je toch: waar doe ik het eigenlijk nog voor?”

Werken moet lonen, maar voor wie dan?
Voor Ingrid is werken de ruggengraat van de samenleving. Niet alleen voor inkomen, maar ook voor eigenwaarde en houvast. Toch ziet ze dat dit idee onder druk staat. “We roepen dat werken loont, maar zo voelt het niet.” Hogere zorgpremies, oplopende prijzen en belastingen vreten aan wat je met je loon kunt doen. “Ik heb niet het gevoel dat ik vooruitkom—eerder dat ik achteruit boer.”
Solidariteit, maar niet eindeloos
Ze vindt solidariteit belangrijk en snapt dat er vangnetten nodig zijn voor mensen die niet kunnen werken. Ziekte, pech of een moeilijke periode kunnen je nu eenmaal overkomen. Maar volgens Ingrid is het systeem doorgeslagen. “De prikkel om weer mee te doen is weg.” Ze mist maatwerk en duidelijke grenzen. “Wie echt niet kan, moet geholpen worden. Maar wie kan en niet wil, mag daarop aangesproken worden.”
De stille woede van het midden
Ingrid merkt dat haar boosheid niet uniek is. Op haar werk en in haar vriendenkring hoort ze dezelfde geluiden. Mensen die niet schreeuwen, niet de straat op gaan, maar wel steeds cynischer worden. “Wij zijn de groep die betaalt en nergens voor in aanmerking komt.” Politiek voelt ze zich amper gezien. “Het gaat altijd over de onderkant of de bovenkant, maar zelden over ons.”
De vraag die maar niet weggaat
Ingrid weet dat haar woorden hard kunnen klinken en polariseren. Toch wil ze het benoemen. “Als we dit gevoel blijven wegduwen, wordt de kloof alleen maar groter.” Ze wil geen samenleving waarin werken voelt als pech hebben. Aan het eind van het gesprek stelt ze de vraag die haar al jaren bezighoudt: wat vind jij, is het systeem nog fair voor mensen die elke dag opstaan om te werken?



